Op 1 januari 2026 is de manier waarop werkgevers de CO2-bijdrage op bedrijfsvoertuigen moeten berekenen gewijzigd. Deze solidariteitsbijdrage bestaat al sinds 2005 en is maandelijks per voertuig verschuldigd wanneer een werknemer een bedrijfswagen ook privé gebruikt. De bijdrage wordt vervolgens per kwartaal doorgestort aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), samen met de gewone sociale bijdragen voor personeel. Met de hervorming wil de overheid de vergroening van het wagenpark versnellen en het gebruik van vervuilende voertuigen minder voordelig maken. Voor werkgevers betekent dit dat het bedrag van de CO2-bijdrage in veel gevallen zal stijgen en dat de gehanteerde berekeningsformule verandert.

Nieuwe berekeningsformule vanaf 2026

Tot eind 2025 wordt de solidariteitsbijdrage berekend op basis van een forfaitair bedrag per brandstoftype en de officiële CO2-uitstoot van het voertuig, met een jaarlijkse indexering. Sinds 1 januari 2026 geldt een aangepaste formule waarin de CO2-uitstoot een grotere impact heeft. Voor voertuigen op benzine, diesel of LPG wordt de bijdrage bepaald door een basisberekening die vervolgens wordt vermenigvuldigd met een indexeringscoëfficiënt. Het resultaat wordt uitgedrukt als maandbedrag. Voor volledig elektrische wagens geldt een vast maandbedrag, maar de minimumbijdrage blijft van toepassing. De minimale bijdrage per maand stijgt bovendien aanzienlijk: vanaf 2026 mag het verschuldigde bedrag nooit lager zijn dan 33,93 euro. Dat minimumbedrag wordt verder geïndexeerd en zal in de volgende jaren opnieuw verhogen.

Welke CO2-waarde moet je gebruiken?

De CO2-uitstoot die in de berekening wordt opgenomen, hangt af van de beschikbare testwaarden van het voertuig. Sinds 2021 gelden vaste regels voor de keuze tussen NEDC- en WLTP-waarden. Voor wagens die uitsluitend een NEDC-waarde hebben, blijft die van toepassing. Wanneer alleen een WLTP-waarde is vermeld, moet dat cijfer worden gebruikt. Indien beide CO2-waarden beschikbaar zijn, mag de werkgever kiezen welke waarde wordt toegepast, wat in de praktijk betekent dat meestal de laagste uitstoot wordt gebruikt om de bijdrage te beperken. Het is dus essentieel om de technische gegevens van het voertuig correct te controleren vóór de berekening.

Hogere bijdragen voor nieuw aangekochte bedrijfswagens

De vergroening van de mobiliteit vertaalt zich al sinds 2023 in een geleidelijke verhoging van de CO2-bijdrage voor bedrijfswagens die vanaf 1 juli 2023 werden gekocht, gehuurd of geleaset. Voor deze voertuigen moet de berekende bijdrage vanaf 2026 worden vermenigvuldigd met een stijgingsfactor. Op 1 januari 2026 wordt dat factor vier. In 2027 loopt dit op tot factor 5,5. Hierdoor zal de maandelijkse bijdrage voor recent aangeschafte fossiele wagens aanzienlijk hoger liggen dan voor oudere voertuigen. Voor wagens die vóór 1 juli 2023 werden aangeschaft, geldt deze bijkomende vermenigvuldiging niet: zij blijven onderworpen aan de standaardformule zonder stijgingscoëfficiënt. Ook bij deze groep blijven de gewijzigde basisformules vanaf 2026 wel van toepassing.

Specifieke regels voor elektrische voertuigen

Elektrische bedrijfswagens blijven onderworpen aan de minimumbijdrage, maar worden niet geraakt door de stijgingsfactor vanaf 2026. Omdat er geen CO2-uitstoot wordt geregistreerd, wordt geen variabele formule toegepast. Toch stijgt de minimumbijdrage mee met de jaarlijkse aanpassingen. Voor werkgevers betekent dit dat volledig elektrische voertuigen fiscaal nog steeds de meest voordelige keuze blijven binnen het systeem van de CO2-bijdrage, al verdwijnt de bijdrage niet volledig.